"Creativiteit is voor elk mens weggelegd, dat werd in de Working-Shop aangeraakt. Het geeft energie en maakt dingen los. Feitelijk vermarkten Aziz en ik in de Working-Shop het creatief zijn."

Voor kunstenaar Berend Strik betekent zijn recente locatieproject Everyman in Hoog Catharijne (2016) een onderzoek, met inbreng van het publiek, naar de shopping mall. In navolging van architect Rem Koolhaas beschouwt hij de shopping mall als een soort lege en oppervlakkige ruimte, gecreëerd door een bepaalde vorm van architectuur. Een ruimte zonder verleden of toekomst, een junkspace, in de woorden van Koolhaas.

Junkspace, zo stelt Koolhaas, is politiek. Zij brengt desoriëntatie voort door het kritische denkvermogen uit te schakelen, ten gunste van comfort en genot. Junkspace kent alle emoties en verlangens en bespeelt de consument – broedend op de volgende aankoop – via de zintuigen; zo manifesteert zij zich door muzak, geuren, reclameleuzen en aanbiedingen.

In junkspace is transparantie verdwenen, alle mogelijke behoeften moeten op een paar vierkante meters worden gecondenseerd, van kiosken, barretjes en banken tot winkelwagentjes, planten en fonteinen. Gangen in een shopping mall verbinden niet langer A met B, maar zijn zelfstandige ‘bestemmingen’ geworden waar ‘ervaringen’ worden aangeboden. Omdat de absurditeit van junkspace nooit bevraagd wordt, meent Koolhaas, geven we als consumenten toe aan tochten langs parfumerieën, kleding, oesters, pornografie, mobiele telefoons – ongelofelijke avonturen voor de zintuigen.

Strik: ‘Wanneer mensen in een shopping mall als Hoog Catharijne komen, worden al hun zintuigen aangesproken, waardoor zij eigenlijk in een ‘dierlijke staat’ verkeren. Een dier is altijd met al zijn zintuigen bezig; wordt hij prooi, is hij op jacht, moet hij eten zoeken? Dat gedrag vertonen bezoekers aan een winkelcentrum ook: frikadel 1 euro, doen, of niet doen? Die keuzemogelijkheden brengen hen aan het wankelen. De zintuigen hebben met de oerdingen te maken, en door dingen te kopen breng je jezelf weer in evenwicht. Wat ik wilde onderzoeken is of je dat gegeven kunt koppelen aan een ‘verticaal’ moment, waarin het over inhoudelijke dingen gaat. Ik wilde dat speurende, zintuiglijk georiënteerde dier weer in zijn menselijke staat brengen. De filosoof Georges Bataille heeft meerdere teksten geschreven over de evolutie van aap naar mens, over verticaal worden, die ik heel toepasselijk vind.’

Volgens Bataille vindt leven op twee assen plaats: het verticale – de planten – en het horizontale – de dieren. Dieren zijn echter niet compleet vervreemd van verticaliteit: zo rijzen ze boven de grond uit en zijn de schedel, de oren en de ogen hoger dan de anus geplaatst. De mens zit tussen plant en dier in; alhoewel de mens verticaal leeft als homo erectus, valt deze geregeld terug in de horizontale positie: om te slapen, te vrijen, te sterven. In de fysieke evolutie van aap naar mens ziet Bataille een massieve energieoverdracht: de genitaliën worden duidelijker zichtbaar, de anus wordt aan het gezicht onttrokken; de energie van het anale gaat nu naar het orale, van de kaken naar het brein, van het lage naar het hoge, van het vieze naar het schone. Het gezicht en de stem krijgen een belangrijke rol, net als huilen en lachen. Deze verticale evolutie is echter nooit definitief. Die transformatie vindt Strik interessant: ‘Ik wilde met het project Everyman in die val-terug-naar-dier, toch verticaliteit aanbrengen waarbij energie naar de hersenen gaat.’

Voorstelling Everyman: Nora Fisher en Cheryl Moenen © Paul Hoes

‘Er worden allerlei bedrijven ingehuurd om te investeren in het creëren van eindeloze verlangens. Kijk bijvoorbeeld hoe de stabiele markt die grote diamanten verkocht aan een paar handelaren, tot wereldmarkt is gemaakt, door kleine diamanten aan te bieden, vergezeld van de connotatie dat mannen geacht worden hun geliefde een diamant te geven. De waarde van de steen werd op slimme wijze verbonden met een geliefde, terwijl het hele idee uit economisch overwegingen in ons hoofd is geplant. Voor een dergelijke vermarkting wordt nog steeds een combinatie van wetenschappelijk onderzoek en empirische praktijk ingezet. Een Amerikaanse neef van Sigmund Freud, Edward L. Bernays, noemde dat de engineering of consent, wat hij als een essentieel kenmerk van het democratische proces beschouwt, namelijk de vrijheid om anderen van iets te overtuigen en ideeën te suggereren. Vrijheid van meningsuiting is daar een belangrijk gevolg van. De vermarkting van de publieke ruimte in een shopping mall is ook gebaseerd op het principe van de engineering of consent.’

Hoe kan een project als Everyman commentaar leveren op de shopping mall?

‘Gedurende de zomermaanden van 2016 werkte ik, samen met modeontwerper Aziz Bekkaoui, in de Working-Shop aan de voorbereiding van Everyman, een muziektheatervoorstelling waarvoor Aziz de kostuums en het decor heeft ontworpen. De Working-Shop was gevestigd in een grote, leegstaande ruimte in Hoog Catharijne, bestemd voor invulling met nieuwe winkels. Wij combineerden hierin twee geheel verschillende concepten: een kledingzaak en een open atelier, een zeer bewuste keuze. Een winkel sluit immers aan op het verwachtingspatroon, zonder winkel zouden mensen misschien niet binnenstappen.’

De winkel, aan de loopgang van het stationsgebied naar de Utrechtse binnenstad, was door Bekkaoui ingericht als een installatie, met tafels en kledingrekken vol artikelen, residu’s van videoclips en films. Naast goedkope en dure kledingstukken, kriskras door elkaar, lagen half afgemaakte producten en rollen stof, werden er onder leiding van Bekkaoui ontwerpen bedacht en uitgevoerd. Dit alles is een spel met het concept winkel waarin het publiek werd meegenomen in het productieproces. Het monetaire systeem is bovendien breder getrokken en aangevuld met andere transactievormen, zoals ruil, of betaling naar vermogen. Wie Bekkaoui iets gaf wat zij/hij kon geven, zoals een verhaal vertellen, een toneelstukje opvoeren of lied voor hem zingen, kreeg het kledingstuk gratis mee.

De Working-Shop © Deborah Schrijvers

Strik: ‘Dan vertelde Aziz dat het een cadeau van ons tweeën was, wat mensen echt gelukkig maakte. Dat werkte erg goed, dan ontdooiden zij. Dat gold ook voor journalisten van de Volkskrant, het NRC, mijn galeriehouder, die zaten hier uren. Mensen mochten ook creatief met de lappen stof omspringen, zich verkleden. Dat doen zij niet meer, thuis op die manier wat rommelen.

In de materiële winkel waren dus veel immateriële dingen aanwezig. Het gebruik van een winkel in de kunst is niet nieuw, ook in de pop art is veel met winkels gedaan, maar het openen van een atelier om de sprong van de shoppende naar de creërende mens mogelijk te maken is bij mijn weten wel nieuw. Consumptie is passief en creativiteit is actief.

De visuele verbinding tussen de winkel en het atelier ‒ niet te zien door het winkelend publiek en de stroom reizigers ‒ bestond uit twee vierkante raampjes in de muur die beide ruimtes scheidde, een verwijzing naar Marcel Duchamps Étant Donnés. Tussen de winkel en het atelier lag een tussenruimte waar het publiek op gezette tijden werd uitgenodigd om Aziz en mij aan het werk te zien en deel te nemen aan brainstormsessies en lezingen over de mens van de toekomst. Aan de hand van thema’s als winkelen en wonen, onderzochten wij samen met de bezoekers hoe wij ons rekenschap kunnen geven van de aarde waar we op leven en de toekomstige uitdagingen van overbevolking, migratiestromen, klimaatverandering en schaarste. De tussenruimte verbond de winkel op een ruimtelijke manier met mijn atelier waar een heel team onder mijn leiding werkte aan een nieuw werk, bestemd voor mijn volgende tentoonstelling bij Fons Welters. Ik was dus ook met het materiële bezig. Die materialiteit speelde bovendien nog op een ander niveau, in het werk zelf. Ik maak foto’s en voeg daar stiksels en stoffen aan toe; de foto’s verwijzen naar momenten die niet meer bestaan. De stiksels verbinden die immateriële met de materiële wereld. Ik heb de indruk dat we in een tijd leven waarin alle immateriële of mentale dingen minder waard zijn dan de materiële.’

Voorstelling Everyman: Cheryl Moenen © Paul Hoes

Welk belang hecht jij aan een open atelier in een commerciële omgeving?

Strik: ‘Het atelier heeft alles te maken met het creatieve proces; als je het kunstwerk uit het atelier haalt waar het gecreëerd is en in een andere context plaatst, bijvoorbeeld in een museum of galerie – dan gebeurt er iets met dat werk. De betekenis en interpretatie ervan veranderen. Datzelfde gebeurt ook als je een atelier in een commerciële omgeving plaatst. Ik ben bijvoorbeeld erg geïnteresseerd in het atelier van collega-kunstenaars. Ik fotografeer al jaren ateliers.

Zo heb ik bijvoorbeeld het atelier van George Herms gefotografeerd, een van de laatst levende Beatniks. Ik ben in principe altijd met autonoom werk bezig en wilde kijken wat het betekent als ik mijn atelier publiek maakte, zonder mij direct te verbinden met de stroom passanten.’

Waarom is de creatie van een verticaal moment in de gecommercialiseerde publieke ruimte voor kunst weggelegd?

‘Het gaat om een moment van observatie en nadenken. Dat is inherent aan cultuur, een mens kan niet zonder. Je moet je hersenen gebruiken en je gevoel van eigenwaarde, liefde en betekenis ontwikkelen. Cultuur geeft zin aan het leven, biedt mogelijkheden en niveau. Je ziet wel dat mensen daar behoefte aan hebben, er zijn bijvoorbeeld altijd mensen in de Boekspot op Hoog Catharijne, de openbare boekenkast waar mensen hun boeken kunnen achterlaten en nieuwe meenemen. Ook de Working-Shop was altijd helemaal vol. De mensen die hier kwamen, meestal vrouwen, herkenden direct dat het een plek was met ruimte voor creativiteit. In het atelier met het glazen dak, mooi licht en een beetje muziek, mocht iedereen alles doen; knippen, zitten, kijken naar mensen aan het werk. Dat is anders dan in een zaak waar alles wat verkocht wordt, is gemaakt door kinderen uit China of Bangladesh. Creativiteit is voor elk mens weggelegd, dat werd in de Working-Shop aangeraakt. Het geeft energie en maakt dingen los. Feitelijk vermarkten Aziz en ik in de Working-Shop het creatief zijn.’

Speelden de publieke ruimte en het publiek een rol in Everyman?

‘Ik heb geprobeerd de informatie die we hebben verzameld gedurende de twee maanden in de Working-Shop te vertalen naar een voorstelling, om het te verzingen. Eind oktober werd de Working-Shop omgebouwd tot theaterzaal ‒ openbare ruimte ‒ met plaats voor zo’n 160 toeschouwers waar we meerdere uitvoeringen hebben gegeven. In de vierde akte gebruikte ik bijvoorbeeld delen uit de tekst Junkspace van Rem Koolhaas die ik liet zingen door een sopraan. Daarnaast heb ik informatie uit de publieke ruimte gebruikt, ik heb bijvoorbeeld alles genoteerd wat ik in de etalages en op de etalageruiten heb gezien. “Queen of the fucking everything” stond op het t-shirt van een etalagepop. Zulke teksten komen letterlijk terug in de voorstelling, gezongen of gesproken, net als informatie uit een symposium voor retailers die in de Working-Shop is gehouden. Er zijn ook situaties in verwerkt die we zijn tegengekomen; mensen die hier vaak langskwamen keerden bijvoorbeeld als publiek terug in de voorstelling.’

Wat is de inspiratie die je uit Everyman/Elckerlyc wilde halen?              

‘Everyman staat voor alle mensen op aarde. Hij onderneemt een pelgrimsreis, een zoektocht. Hij zal sterven en moet verantwoording afleggen over zijn aardse leven. Vertaald naar het hier en nu betekent het dat je als mens kunt meewerken om tijdens je eigen reis, tussen geboorte en overlijden, de wereld wat beter te maken door verantwoordelijkheid te nemen voor de toekomst. Of denk je dat je haar met nog meer troep mag achterlaten? Bedrijven moeten rekening houden met duurzaamheid, dat vraagt om een mentaliteitsverandering. Geestrijke mensen doen het al op grote schaal, zoals plastic uit de zee vissen en daar nieuwe dingen van maken. Daar appelleert dit project aan: wat kun je als individu doen? Als iedereen op de wereld voor een persoon zou zorgen die dat nodig heeft, hoe anders zou de wereld er dan uitzien? In de voorstelling Everyman wordt kunst als brug gebruikt om dergelijke thema’s bespreekbaar te maken, maar kunst is ook iets waar je dingen in kunt verbergen die inhoudelijk waarde hebben. Dat zie ik ook als de waarde van ons project: mensen in contact brengen met ons, kunstenaars, met kunst en elkaar. Verbinden is een functie van kunst. Daarom is een shopping mall bij uitstek geschikt om kunst te presenteren.’

In de Working-Shop en Everyman reflecteerden Strik en Bekkaoui op ontwikkelingen in de samenleving waarbij zij op eigentijdse wijze interdisciplinair samenwerkten. Lag in de Working-Shop het accent op het proces als kunstwerk, in Everyman stond het muziektheaterspektakel zelf centraal, doorspekt met citaten uit de kunst- en modegeschiedenis. Zij creëerden met hun project niet alleen een fysieke en mentale ruimte voor het publiek dat op allerlei fronten werd aangesproken, maar tevens twee autonome, meerlagige en polyinterpretabele kunstwerken. De interactie tussen en met de kunstenaars, hun kunst, de locatie en het publiek geeft niet alleen betekenis aan hun werk, hij heeft ook impact op de bezoekers en bewoners van Hoog Catharijne. Het voegt bovendien waarde toe aan de plek waar zij tot stand kwamen, als verrijking van en commentaar op de vermarkte openbare ruimte van de shopping mall als vorm van junkspace.

Voorstelling Everyman: Nora Fisher en Cheryl Moenen © Paul Hoes

Van 25 november 2016 – 7 januari 2017 heeft Berend Strik een solotentoonstelling, Redefining Realness, bij Galerie Fons Welters in Amsterdam.

Op 15 december 2016 onderzoekt Berend Strik als Beeldbepaler, ook onder de titel Redefining Realness, het verband tussen de creatieve ruimte en de esthetische opvattingen van kunstenaars. Hij reflecteert op vragen als: Hoe ontstaat een idee? Hoe werkt het proces van creatie? Ook het proces van de toekenning van waarde na het ontstaan van het kunstwerk wordt onder de loep genomen. Binnen de serie Beeldbepalers, een initiatief van het Mondriaan Fonds, krijgen Nederlandse beeldend kunstenaars voor één avond De Balie beschikbaar als platform voor een zelf samengesteld programma. In samenwerking met andere kunstenaars, wetenschappers, theatermakers, schrijvers en journalisten presenteren zij nieuw werk of zetten ze bestaand werk in een ander daglicht. Ze delen in aanwezigheid van het publiek hun gedachten over hun werk en deze tijd. Eerdere Beeldbepalers waren Renzo MartensBarbara VisserJoep van Lieshout (Atelier Van Lieshout), Marlene Dumas en Ronald Ophuis 

reacties
reacties op dit artikel
Er zijn reacties op dit artikel
reageer
in Utrecht
reacties op dit artikel
Benieuwd wat er in New Europe gebeurt? Citiesintransition.eu