Burgerinitiatieven hebben baat bij professionalisering

Om burgerinitiatieven tot een succes te maken, is een professionele aanpak essentieel, concluderen Malika Igalla en Ingmar van Meerkerk.

Dit artikel verscheen 5 mei 2017 op Sociale Vraagstukken en is geschreven door Malika Igalla, Ingmar Van Meerkerk

Steeds vaker nemen burgers het heft in eigen handen. Maar om burgerinitiatieven tot een succes te maken, is een professionele aanpak essentieel, concluderen Malika Igalla en Ingmar van Meerkerk.

Leeszalen, energiecoöperaties, wijkondernemingen: steeds vaker nemen burgers het initiatief om maatschappelijke vraagstukken op te pakken en een actieve rol te spelen in publieke dienstverlening. Dit soort zelforganisatie van burgers staat volop in de spotlights van overheden die kansen zien in het op peil houden van voorzieningen.

Hoewel burgerinitiatieven worden toegejuicht, is onbekend in hoeverre ze een duurzaam karakter hebben. Daarmee bedoelen we het vermogen van burgers om met hun initiatieven langdurig te voorzien in bepaalde behoeften van de gemeenschap. Aan de hand van vragenlijsten en interviews onderzochten we de duurzaamheid van 59 burgerinitiatieven op diverse gebieden, zoals zorg voor zieken en ouderen, leefbaarheid en het vergroten van de veiligheid in de wijk. In dit artikel richten we ons op twee factoren die duurzaamheid beïnvloeden: het netwerk van het burgerinitiatief en de mate van professionalisering.

Het belang van organisatie

Een zekere mate van professionele organisatie draagt bij aan een stabiel samenwerkingsverband, zo blijkt. Ook het creëren van een eigen verdienmodel, het opzetten van een eigen website en het beschikken over een fysieke plek zijn aspecten van professionalisering die de duurzaamheid van burgerinitiatieven positief beïnvloeden.

Burgerinitiatieven lijken zich bewust van het belang van professionalisering. Zo heeft ruim 70 procent van de initiatieven zich formeel georganiseerd in een stichting of vereniging. Een geformaliseerde vorm laat de buitenwereld zien dat burgers de ambitie hebben een lange termijn samenwerking aan te gaan. Vaak is het ook noodzakelijk om ondersteuning van instanties en overheden te krijgen.

Het Rotterdamse burgerinitiatief Granny’s Finest startte bijvoorbeeld meteen als stichting. In het initiatief werken jonge ontwerpers samen met ouderen om patronen te ontwerpen en te breien, met als doel eenzaamheid onder ouderen tegen te gaan. Dit sociale doel riep bij veel organisaties een hoog aaibaarheidsgehalte op. De formele organisatie vergrootte de bereidwilligheid om financieel te ondersteunen. Partijen werden enthousiast en media-aandacht nam toe. Uiteindelijk evolueerde het initiatief tot een sociale onderneming, om commerciële activiteiten meer ruimte te geven als middel om het initiatief draaiende te houden.

Eigen plek bevordert identiteit

Het beheren van een website en het hebben van een fysieke plek helpen de vindbaarheid en identiteit van het burgerinitiatief te vergroten. Dit kan ook meer vrijwilligers aantrekken. Een fysieke plek bevordert bovendien interactie en ontmoeting tussen bewoners.

We zien dit bijvoorbeeld gebeuren in Speeltuinvereniging Kruiskamp in Amersfoort. Betrokken partijen, waaronder de gemeente, prijzen de buurtfunctie van de speeltuin. Diverse verenigingen, clubs, basisscholen en voormalige wijkcentra weten hun weg te vinden naar de Speeltuinvereniging en houden hun activiteiten in de afgehuurde zalen van de speeltuin, waardoor deze plek een knooppunt voor maatschappelijke betrokkenheid is geworden.

Enkelen kunnen op eigen benen staan

Hoewel bijna de helft van de onderzochte initiatieven eigen inkomsten genereert, lijkt het erop dat er maar weinig initiatieven geheel op eigen kracht kunnen bestaan. De meeste initiatieven hebben namelijk slechts een of twee inkomstenbronnen; donaties of subsidies van de overheid.

De voorwaarden die met subsidies gepaard gaan kunnen op gespannen voet staan met de autonomie van het burgerinitiatief. Een aantal onderzochte burgerinitiatieven worstelt met dit spanningsveld en beklaagt zich over de specifieke voorwaarden waarop het initiatief wordt beoordeeld, terwijl de impact van een burgerinitiatief vaak veel breder is.

Tegelijkertijd geven ambtenaren aan dat zij wel gebruik moeten maken van dit soort meetinstrumenten om het uitgeven van publiek geld te verantwoorden. Het transparant en meervoudig maken van impactmeting – met oog voor verschillende publieke waarden – kan hierbij nuttig zijn.

Netwerkontwikkeling vergroot de kans op voortbestaan

Een andere factor die duurzaamheid van burgerinitiatieven bevordert, is het interne en externe netwerk van een burgerinitiatief. Het draait hier om het aantal actieve vrijwilligers, de omgang tussen de meest actieve vrijwilligers binnen het burgerinitiatief (intern netwerk) en het bestaan van relaties met andere partijen (extern netwerk).

Een kwetsbaar punt van burgerinitiatieven is vaak de afhankelijkheid van een of enkele kartrekkers. Een goede samenwerking en takenverdeling tussen meerdere voortrekkers maakt initiatieven minder kwetsbaar voor overbelasting van sleutelfiguren. Dit betekent dat er ook voldoende mensen bereid moeten zijn om de rol van voortrekker op zich te nemen.

Het is echter vaak lastig om vrijwilligers te werven die zich langdurig willen inzetten en verantwoordelijkheden willen overnemen. Het uitblijven van toewijding kan zelfs leiden tot de ondergang van een burgerinitiatief.

Een voorbeeld betreft een initiatief om straattegels en achterpaden op te knappen in een Rotterdamse wijk. Vanwege een gebrek aan sociale cohesie in de wijk bleek het erg lastig voor de kerngroep van drie buren om meer bewoners mee te krijgen als vrijwilliger. Hierdoor is het burgerinitiatief niet in staat geweest om de kerngroep te verbreden, is het enthousiasme gedoofd en het initiatief uiteindelijk gestopt.

Ook het externe netwerk speelt een belangrijke rol in de duurzaamheid van burgerinitiatieven. Verbindingen met relevante partijen kan het initiatief toegang verschaffen tot hulpbronnen, zoals financiën, vrijwilligers en medewerking. Een effectieve strategie hierbij is het vervlechten van het initiatief met beleid en projecten van deze partijen, zogenoemde ‘boundary spanning’-activiteiten.

Zo hebben de initiatieven Coolhavenkade en de Rotterdamse Munt (sinds de planfase) flink geïnvesteerd in het identificeren van doelstellingen, behoeften, beleid en agenda’s van voor hen interessante partijen om verbindingen te vinden met de eigen activiteiten. Dit vergroot de relevantie van het initiatief en levert vaak extra middelen op.

Uitdaging: neem belemmeringen in gemeentelijk apparaat weg

De gemeente is vaak een belangrijke speler voor burgerinitiatieven. Goede relaties kunnen bijdragen aan de duurzaamheid. Maar gemeenten worstelen ook met burgerinitiatieven. Vooral initiatieven die diensten leveren op nieuwe manieren en/of activiteiten organiseren die sector overschrijdend zijn hebben te maken met belemmeringen binnen het gemeentelijk apparaat.

Een voorbeeld uit ons onderzoek zijn stadstuinen waar je niet alleen terecht kunt voor groenten en kruiden (groene functie), maar ook voor re-integratieplekken (sociale functie) – een dienst die normaliter door professionele organisaties wordt aangeboden. Regelgeving bij gemeenten is onvoldoende afgestemd op dit soort integrale initiatieven op kleine schaal en vergoedingsstructuren voor nieuwe typen activiteiten ontbreken.

Structurele relaties zoals bij welzijnsorganisaties

Een manier om deze belemmeringen tegen te gaan, is het afnemen van diensten bij burgerinitiatieven. Een afnemersrelatie vergroot de levensvatbaarheid van het verdienmodel op de lange termijn. Er ontstaat een relatie die meer gebaseerd is op gelijkwaardigheid en die meer recht doet aan de autonomie van burgerinitiatieven. Niet alleen burgerinitiatieven zijn namelijk aan de ontvangende kant te vinden, ook gemeenten. Die krijgen immers een oplossing aangereikt voor maatschappelijke vraagstukken in de vorm van concrete diensten voor doelgroepen waar zij zich ook op richten.

Dit soort structurele relaties bestaan voornamelijk bij de grotere welzijnsorganisaties met wie de gemeente zaken doet. Voor kleine zelforganisaties is concurreren met de gevestigde grotere dienstverleners moeilijk. Het Right to Challenge is een nieuw beleidsmiddel van gemeenten dat meer ruimte voor burgerinitiatieven kan creëren.

Nadruk op concurrentie kan ondermijnen

Tegelijkertijd kan een nadruk op concurrentie de samenwerking tussen burgerinitiatieven, grotere dienstverleners en ondernemers ondermijnen. Daarom is de manier waarop dit Right to Challenge in de praktijk wordt vormgegeven van belang. Om burgers de mogelijkheid te geven publieke taken zelf uit te voeren én samenwerking tussen spelers in het maatschappelijk veld te bevorderen.

Malika Igalla is promovenda bij de afdeling Bestuurskunde en Sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en doet onderzoek naar duurzaamheid en prestaties van burgerinitiatieven. 

Ingmar van Meerkerk is postdoc onderzoeker bij de afdeling Bestuurskunde en Sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij doet onderzoek naar de relatie tussen burgerinitiatieven en overheden.

Dit artikel is gebaseerd op:

Igalla, M. & I. van Meerkerk. (2015). De duurzaamheid van burgerinitiatieven. Een empirische verkenning. Bestuurswetenschappen, 69(3): 25-53.

Igalla, M. (2015). De duurzaamheid van burgerinitiatieven vanuit een sociaal netwerk perspectief. Een onderzoek naar de effecten van netwerkstructuren en boundary spanning op het bestaan van duurzame burgerinitiatieven. Masterscriptie Bestuurskunde. Erasmus Universiteit Rotterdam.

Betrokken stadmakers
Malika Igalla
MSc Bestuurskunde
Ingmar van Meerkerk
Dr. Bestuurskunde Erasmus University
reacties
reacties op dit artikel
Er zijn reacties op dit artikel
reageer
in Nederland
reacties op dit artikel
Benieuwd wat er in New Europe gebeurt? Citiesintransition.eu