Floor stapt door in Deventer

Stadmakers en Dorpmakers kunnen van elkaar leren

Drie dagen land liep ik in opdracht van het architectuurcentrum Rondeel door de dorpen rond Deventer. Daar ging ik in gesprek met de dorpsbewoners en dorpmakers die ik tegenkwam.

Veel dorpen en plattelandsgemeenten zijn economisch en door maatschappelijke voorzieningen nauw verbonden met de stad. Andersom is de stad afhankelijk van de toestroom uit het ommeland. Traditioneel vormen de bewoners een hechte gemeenschap, waar iedereen verantwoordelijkheid neemt voor zijn of haar leefomgeving. Wat betekent dit voor bottom-up initiatieven? Is er een verschil tussen stad en platteland? Is er een verschil tussen grote dorpen dicht bij de stad zoals Bathmen en kleine dorpen zo als Okkenbroek? Kunnen de dorpen iets leren van Deventer of is het juist andersom? Is het mogelijk om de dorpen aan te laten sluiten bij het stadsmakersnetwerk?

Daar ga ik dan. Met het busje naar het eerste dorp Lettele. Meteen heb ik een prachtig gesprek met Eline (17), geboren en opgegroeid in dit dorp waar iedereen elkaar blijkt te kennen. ‘We zijn één grote familie’, vertelt ze. ‘Mensen gaan niet op vakantie om vrijwillig de jaarlijkse kermis te organiseren. Als iemand ziek is stuurt het hele dorp een kaartje, en alle kinderen van de basisschool gaan naar het zomerkamp. Mensen uit de stad zeggen soms tegen mij: “Hebben jullie een televisie daar in het dorp?”, ze denken echt dat wij nog steeds als boeren leven.’

‘Zo’n ov-kaart geldt niet voor mijn busje, maar u kunt even pinnen bij de halte “Rabobank automaat” in het dorp. En gaat u werkelijk op die schoenen met hakken wandelen? Helaas zijn de cafés op dinsdag dicht in het dorp, maar u kunt gerust bij mensen aanbellen.’

Achternaam in Lettele

Terwijl ik mijn wandelschoenen aantrek op het terras van het gesloten café De Koerkamp komt de eigenaar naar buiten om de post uit de brievenbus te halen, en nodigt hij mij uit voor een kop thee. Zijn dochter komt ook net thuis uit school. Ik praat lang met Kjara en Ferrie, en leer veel over de sterke gemeenschap van het dorp Lettele. ‘Jong, oud: iedereen staat hier open voor elkaar. Er gebeurt al heel erg veel dus we missen eigenlijk helemaal niets.’ In het Kulturhus worden allemaal activiteiten georganiseerd door vrijwilligers. Wel zijn de winkels bijna allemaal gesloten en stroomt de kerk leeg. ‘Maar je kan maar beter met veranderingen meebewegen dan je ertegen verzetten’, volgens Ferrie. Kjara danst in een dans/theatergroep in het dorp. Gewoon zelf aangeleerd, en alle zes uitvoeringen zijn al bijna uitverkocht, vertelt zij trots. Het klinkt allemaal heel vrolijk en positief hier tussen de Kleine en Grote Koerkampjes. Zo blijkt bijna iedereen in Lettele te heten.

© Floor Ziegler

In het dorp kom ik 3 van de 180 vrijwilligers van het zelf gebouwde Kulturhus De Spil in Lettele tegen. Dit is de kracht van het dorp! Ik ben zwaar onder de indruk.
Nadat ik een dag geluisterd heb naar de krachtige dorpsbewoners, luister ik nu naar de stilte rond de dorpen van Deventer op Erve Dikkeboer. Bedankt Teun, Else en Gerrit. Ook hier voel ik weer de kracht van het dorp.

Wieger komt uit het dorp Okkenbroek. Hij vertelt mij dat dit dorp 600 bewoners telt en 34 verenigingen heeft. Iedereen is dus wel onderdeel van een biljart-, knutsel-, dames-, gymnastiek- of bejaardenclub. ‘Dat vinden wij heel normaal hier. Als er iemand sterft wordt zelfs alles door het dorp geregeld, van de overlijdenskaarten sturen tot naar het gemeentehuis gaan. Er komt dus geen begrafenisondernemer aan te pas. Iedereen kent elkaar, weet alles van elkaar, maar dat geeft niks. Dat is juist makkelijk, want als er dan iets is dan kunnen wij elkaar helpen. Waar moet je heen? Oh daar, dat is de boerderij waar familie van mij heeft gewoond, en ik woon daar zelf vlak achter. Ik breng je wel even met de auto.’

© Floor Ziegler

In een stad kunnen mensen denken: als ik het niet doe, dan doet een ander het wel. In een dorp heb je elkaar nodig en is de mentaliteit dus anders.

Ik vraag aan Frits uit Lettele hoe je dat doet, met 180 vrijwilligers een Kulturhus bouwen. ‘Nou, heel gewoon.’ Antwoordt hij. ‘Je hebt twee “leiders”, die bedenken wat er moet gebeuren. Dat is onder andere de bouwpastoor. Daarnaast hebben we iemand die alle vrijwilligers oproept om te komen klussen, achter de bar te staan, inkoop te doen, enzovoorts. Er is in de twee jaar dat wij dit hebben opgebouwd geen scheef woord gesproken. We hadden hoogstens soms een meningsverschil. Dit wordt dan openlijk en eerlijk met elkaar besproken, zodat niemand zich buitengesloten voelt. In een stad kunnen mensen denken: als ik het niet doe, dan doet een ander het wel. In een dorp heb je elkaar nodig en is de mentaliteit dus anders. Ik woon vlakbij, heb tijd, dus vind ik dat ik mij moet inzetten voor het Kulturhus. Elk jaar gaat ook iedereen massaal naar de plaatselijke cabaretvoorstelling waarin de verhalen van het dorp nagespeeld worden. Als je je “verplichtingen” niet bent nagekomen, dan kun je ervan uitgaan dat je op de hak wordt genomen in de voorstelling. Je kan dus maar beter overal bij zijn, anders wordt er over je geroddeld.’

Iedereen kan van elkaar leren

Vlak voor het dorp Loo kom ik deze vrolijke kinderen tegen. Ze zijn van school onderweg naar huis. Ze willen mij heel graag vertellen waarom hun school niet mag sluiten, ook al zitten er inmiddels veel te weinig kinderen op. In groep 1, 2 en 3 zitten er nog maar 9. ‘Maar onze school vormt het hartje van Loo!’ roept een van de jongens. ‘Verder is er helemaal niets en wordt het een verlaten dorp’. Nu fietsen ze elke dag vanuit de omgeving samen naar hun school, en dat is heel gezellig. Wat er zo fijn is aan het wonen in een dorp? Ze roepen door elkaar: ‘De ruimte, meer privacy, rustiger, iedereen kent elkaar, meer dieren!’ ‘Ik woon in een oude koeienstal!’ roept er een. ‘Kinderen in de stad denken dat melk uit de fabriek komt en weten niet eens hoe een vos er uitziet. En kinderen uit de stad vinden ons soms stinken, maar iedereen ruikt hier zo, dat zijn wij gewend.’

© Floor Ziegler

Ik denk dat de kloof tussen stad en dorp er gewoon moet blijven.

‘Ze moeten de boel daar in Amsterdam eens beter organiseren. Ze halen je links en rechts in. Meer prullenbakken neerzetten, overal ligt vuil op straat. Schieten de trams om je oren. Iedereen lijkt haast te hebben. Mensen neem de tijd voor elkaar. Relaaaaax! De huizen zijn duurder daar, terwijl je hier een megagroot huis hebt met zwembad in de tuin, voor veel minder geld.’ ‘Ik heb mijn voetbalgoal in ons weiland staan, veel groter nog dan een voetbalveld.’ ‘Gaan jullie later in de stad wonen?’ Vraag ik aan hen. ‘Nee, nooit!’, roepen ze in koor.

Even de hakken weer aan, rugzak af, en op bezoek bij wethouder Jan Jaap Kolkman in dit waanzinnig mooie stadhuis van Deventer. Ontworpen door Neutelings Riedijk. Met vinger- en voetafdrukken van de bewoners van Deventer. Vormgegeven door beeldend kunstenaar Loes ten Anscher.

© Floor Ziegler

Twee Kelners van Restaurant ‘Graaf Otto’ in Loo: ‘Als ons restaurant helemaal vol zit, dan zijn er meer mensen in ons restaurant dan dat er in dit dorp wonen. Ik denk dat de kloof tussen stad en dorp er gewoon moet blijven. Stedelingen komen graag naar het dorp om tot rust te komen, dus dat kan maar beter zo blijven. Als alles aan elkaar groeit, dan is er straks geen onderscheid meer. De stedelingen kunnen hier weer ervaren dat het fijn is om elkaar te begroeten, leren hoe een tomaat groeit en hoe je je eigen brood bakt met meel van de molenaar. Dorpelingen staan niet zo open voor de stad. Met name de mannen niet. Die voelen zich verbonden met de natuur, wandelen elke dag twee uur met hun hond, hebben hun moestuin en zijn gesteld op de stilte. Dan heb je helemaal geen behoefte meer aan die drukte en hectiek van een stad.’

Ik sliep vannacht als enige gast in het mooiste hotel van Nederland. Sssst, niet door vertellen. Het was zo heerlijk stil.

© Floor Ziegler

© Floor Ziegler

Mijn advies is om deze niet in groten getale in azc’s te laten wonen, maar in kleine groepjes. Wij vangen ze wel op in het dorp.

Else, eigenares van Erve Dikkeboer in Bathmen vertelt: ‘Soms gaat mijn man zo op in het vrijwilligerswerk voor het dorp Bathmen dat ik hem 14 dagen niet zie. Zoals laatst, tijdens de voorbereidingen van het grote evenement dat georganiseerd werd, en waar het halve dorp aan heeft meegewerkt. De tijd van Napoleon werd nagebootst. De straten lagen vol zand, mensen droegen kleding uit die tijd, enzovoorts. Ik heb nog nooit zoiets gezelligs en moois mee gemaakt. Afgelopen week was de dorpsquiz waar 80 groepen (1000 man) aan mee hebben gedaan. Wij kennen al iedereen, maar als je samen achter de bar staat tijdens zo’n evenement leer je elkaar nog beter kennen, en dit schept een band. Dat geeft samenhorigheid en vertrouwen. Je weet dan nog beter van wie je op aan kan.’

‘Kunnen steden leren van de dorpen?’ vraag ik aan Else. ‘Absoluut!’

‘Met name de vriendelijkheid. Wij groeten elkaar altijd, dat zit er gewoon ingebakken. Het is toch best raar dat er een “Dag van het Groeten” georganiseerd wordt in steden? Of dat mensen tegen elkaar zeggen: “Hier hoef je je elkaar niet te groeten”. Laatst hoorde ik dat twee meisjes naast elkaar zaten op hun telefoon, en de een aan de ander via de chat vroeg of zij wat wilde drinken. Dat kunnen wij ons hier in de dorpen niet voorstellen.’ ‘Kunnen jullie ook van de steden leren?’ vraag ik. ‘Je kan van iedereen leren, dus jazeker. Wij hebben hier weinig mensen uit andere culturen. Die zijn heel welkom in onze dorpen. Maar mijn advies is om deze niet in groten getale in azc’s te laten wonen, maar in kleine groepjes. Wij vangen ze wel op in het dorp.’

© Floor Ziegler

Ik kom in een garage vol Nissan Patrol auto’s en wordt door zoon Bolink mee naar een achterkamertje genomen. Daar zit zijn vader, Hans Bolink, met twee klanten te kletsen en koffie te drinken. Een tijdloos tafereel, alsof zij daar al uren zitten en voorlopig ook zullen blijven. Ze nodigen mij uit om aan te schuiven. Ik vraag aan Hans wat de kracht is van zijn dorp: ‘Ik maak me vooral zorgen om Loo. De gemeente Deventer wil hier de school sluiten en ze bouwen geen nieuwe huizen, waardoor er vergrijzing optreedt. Steeds meer boerderijen komen leeg te staan, en als het zo door gaat dan is het einde oefening. Er is hier alleen nog een zwembad in de buurt, dat helemaal door vrijwilligers wordt gerund. De mensen zijn steeds vaker in andere dorpen of in Deventer hun boodschappen gaan doen waardoor de winkels moesten sluiten. Zij dachten dat het goedkoper was, maar dat zit alleen tussen de oren. Want als je de benzinekosten erbij optelt is het even duur.’

Het mannetje met de pet op vertelt over het verleden: ‘Vroeger zetten de boeren de melkbussen aan de weg en hielp iedereen elkaar. Je leende geld bij mijn opa om de hypotheek te kunnen betalen, werden op zondag de koeien en kalfjes in het café tegenover de kerk verkocht en er was maar één boer met een telefoon en daar ging het hele dorp bellen.’ De man met bril biedt aan om mij naar Bathmen te rijden en vertelt in de auto dat je dit een goede buur, oftewel “noaber” noemt.

Ik huur een ov-fiets in Deventer om de vaart er een beetje in te brengen tijdens mijn tocht langs de dorpen en ontmoet Pascal (ov-fietsverhuurder). Hij vertelt mij dat hij de hele dag met alle soorten mensen te maken heeft: jong, oud, boos, vriendelijk. ‘Laatst kwam hier een man binnen en die begon meteen tegen mij te schelden: “Teringleier!” riep hij, of zoiets. Ik liep achter hem aan en zei: “Je hóeft je fiets hier niet te stallen, hoor.” Meteen daarna kwam er een vrouw binnen en die zei: “Ik ben zo ontzettend blij met deze fietsenstalling.” Dan moet je toch behoorlijk schakelen.’ Ik vertel Pascal over mijn project om boze Nederlanders te verbinden door naar ze te luisteren op een bankje (de Dwarszitter). Samen oefenen we de vragen die je in zo’n gesprek kan stellen en weer contact kan krijgen tussen andersdenkenden. Dat schepte absoluut een band tussen mij en Pascal.

In Diepeveen loop ik het buurtcentrum het ‘Hof van Salland’ binnen. Er zit een grote groep mensen om een tafel. Dit blijkt de donderdagochtend koffieclub te zijn. Ik vraag of ik erbij mag zitten. Er wordt meteen enthousiast ‘ja’ geroepen en een stoel voor mij aangeschoven. Ik vraag aan het gezelschap wat de kracht van Diepeveen is. Een van de heren begint te vertellen over de geschiedenis en dat zij lange tijd hebben gestreden om ervoor te zorgen dat Diepeveen een dorp zou blijven in plaats van onderdeel van de stad Deventer. Er bestond lange tijd een vereniging ‘Landelijk Diepeveen’. Deze is toevallig net vorige week opgeheven, en deze zette zich onder andere in om het groenstuk tussen het dorp en de stad te behouden, om ‘aangroei’ te voorkomen.

Een vrouw uit het gezelschap vertelt dat het zo fijn is dat iedereen elkaar kent en elkaar groet in Diepeveen. Een andere vrouw zegt: ‘Weet je wat nou echt de kracht van het dorp is? Dat iemand als Maarten, een gehandicapte jongen, hier toch geheel zelfstandig kan wonen. Omdat iedereen hem hier op een leuke manier in de gaten houdt en voor hem zorgt. Het is een hele sociale jongen en de mensen zijn dol op hem. Hij hoort er gewoon helemaal bij.’

POWER (prettig ouder worden en reflecteren)

Er zijn ook veel activiteiten in Diepeveen, van Buurtborrels, NL Doet dagen, Burendag, er is sinds kort een werkplaats waar mensen klusjes doen voor anderen. Toos vertelt dat er ook een groep vrouwen is die zich POWER (prettig ouder worden en reflecteren) noemen. ‘Gepensioneerden met pit, zullen we maar zeggen. Voor vrouwen die elkaar beter willen leren kennen en bereid zijn iets voor elkaar te doen. Eigenlijk is deze groep niet meer dan een e-maillijst van krachtige vrouwen die af en toe samenkomen. Wij bestaan al vijf jaar. ‘

‘Echte Diepeveeners praten direct met elkaar. Maar nieuwkomers worden lang niet altijd geaccepteerd. Het heeft tijd nodig om vertrouwen te winnen. Er treedt steeds meer vergrijzing op in het dorp en zien wij alleenstaanden steeds eenzamer worden. Zo vertelt Anna (van de sociale teams) dat mensen in de dorpen langer hun problemen zelf proberen op te lossen dan in de stad. En gaan ze ons pas bellen als het eigenlijk te laat is.

Gerda (89) uit Diepeveen vertelt mij dat zij het ‘Lief en Leed’ potje beheert. Zij gaat regelmatig langs de deuren om geld in te zamelen voor mensen die het moeilijk hebben in haar dorp. Zij koopt van dit geld bijvoorbeeld bloemen voor mensen die ziek zijn, of koopt een kaartje om dat te sturen namens de Diepeveeners. Ook helpt zij tijdens de eetclub die elke maandagavond in het ‘Hof van Salland’ georganiseerd wordt. Het begon met een kleine groep mensen die hier kwamen eten voor de gezelligheid, en omdat zij het niet breed hebben. Inmiddels zitten er regelmatig meer dan 40 mensen op maandagavonden om de tafel en wordt er door 5 vrijwilligers gekookt. Naast Gerda zit haar Indonesische buurman, die vrolijk vertelt hoe dol hij is op zijn buurvrouw en dat hij heel regelmatig bij haar binnenloopt om allerlei klusjes voor haar te doen of lekker Indonesisch voor haar te koken. ‘Dat vindt zij heerlijk, aangezien zij in Indonesië is geboren en veel van mijn land houdt. Soms roepen mensen heel hard: ik word nooit ‘vrijwilliger’ en even later zie ik ze dan bijvoorbeeld een schutting helpen bouwen bij hun buurman’. Dat is Diepeveen! Wij zijn er voor elkaar! En weet je dat onze Gerda geweldig kan schilderen. Dat doet zij al jaren. Kom maar kijken dan laat ik je een van haar schilderijen zien. Die hangt hier in de grote zaal.

Bedrijfsleider van het Hof van Salland, Martin Goedejohan, Vertelt trots hoeveel activiteiten er wel niet in zijn buurthuis plaatsvinden. De wekelijkse agenda staat bomvol. ‘Van historische wandelclub, computerlessen, tot volksdansgroepen. De leden van alle clubjes, verenigingen, etcetera betalen een kleine huur voor het gebruik van de ruimten hier. Daarnaast probeer ik de zalen zoveel mogelijk te verhuren voor feesten en partijen, maar ook voor vergaderingen aan de gemeente Deventer bijvoorbeeld. Het wordt wel steeds moeilijker om voldoende inkomsten binnen te slepen. Er vindt vergrijzing plaats in het dorp, dus er wonen veel ouderen met weinig geld die steeds minder initiatieven kunnen nemen en trekken. Er zouden weer meer jonge gezinnen moeten komen wonen.’

Krachten bundelen

Als ik Martin vraag of het zinvol is om de kracht van het dorp te verbinden aan de kracht van de stad, begrijpt hij meteen wat ik bedoel en knikt enthousiast ‘Ja’. Ik zeg: ‘Misschien kunnen dorpen en steden van elkaar leren, de krachten bundelen en meer samenwerken? De steden en stadmakers leren van de samenhorigheid, vriendelijkheid, zelfinitiatief, begrip voor elkaar, ervaring in communities vormen, omgaan met conflicten, samenwerken enzovoorts, en de dorpen en dorpmakers wellicht jonge mensen en creatieve, innovatieve initiatieven aantrekken met nieuwe verdienmodellen uit de steden aantrekken en uitnodigen om mee te denken met de dorpen. Stedelijke projecten (zoals culturele festivals) uitbreiden in de regio of juist stedelingen rust en stilte (werk) plekken bieden in de dorpen. etc., ’Martin is meteen voor en stelt zijn Hof van Salland graag beschikbaar om een bijeenkomst over dit onderwerp te organiseren. Ik beloof hem dat ik terugkom en deze bijeenkomst samen met het Rondeel ga organiseren.

Ik loop Diepeveen uit op weg naar de trein in Deventer. Vol mooie herinneringen aan al die bijzondere ontmoetingen en verhalen over de Dorpen rond Deventer keer ik terug naar Amsterdam. Wat een rijkdom en wat leerzaam dat ik drie dagen deel heb mogen zijn van deze wereld van verbondenheid, samenhorigheid, zorgen voor elkaar, stilte, rust, natuur en het groeten van elkaar. Maar soms ook de zorgen over de vergrijzing, het leegstromen van de dorpen, het vastgroeien aan de steden, vervreemding tussen ‘oude’ bewoners en de nieuwkomers, vereenzaming en armoede. Ik zie uit naar het vervolg van dit project, namelijk het verbinden van de Dorpmakers aan de Stadmakers van Deventer tijdens een Rondeel bijeenkomst in april. Want zoals Else het verwoorde: iedereen kan van elkaar leren, dus ook de stedelingen en dorpelingen.’

reacties
reacties op dit artikel
Er zijn reacties op dit artikel
reageer
in Deventer
reacties op dit artikel
Benieuwd wat er in New Europe gebeurt? Citiesintransition.eu