Stadslabs zijn vrij maar niet ongebonden

Stadmakers de mogelijkheid bieden om hun expertise in te zetten op professionele basis

Dit artikel van Marijke Bovens verscheen eerder op de website van het Stimuleringsfonds.

Op dezelfde dag dat het Stimuleringsfonds de derde Open Oproep Stadslabs uitschrijft, komen in de Old School in Leiden op uitnodiging van het fonds stadmakers uit de eerste twee rondes van het programma bijeen voor een workshops over draagvlak & commitment en financiering & continuïteit.

‘Wij zijn allemaal professionals die in eigen woonplaats gratis werken’, zegt Patrick Boel, een van de begeleiders van de werksessies. Achter deze laconieke typering van stadslabs gaat een complex speelveld schuil.

Stadslabs zijn geen actiegroepen, maar zij willen wel iets verbeteren. Bijvoorbeeld de luchtkwaliteit in een wijk, de klimaatbestendigheid van de stad, of een langdurig leegstand pand/terrein doen herleven. Vaak ook kiest een stadslab voor een rol als aanjager van het debat en uitlokker van initiatieven om een stad ‘leuker en mooier’ te maken, vanuit een onafhankelijke positie en met de antennes afgestemd op wat er in de samenleving speelt.

Zij leggen contact, met stadgenoten en met de gemeente. ‘Je hebt elkaar nodig’, zegt Christel Smeets van stadslab Breda. Dit stadslab ondersteunt projecten uit de stad en heeft daartoe een kerngroep geformeerd van circa twaalf professionals, waaronder twee ambtenaren. ‘Wij proberen zo speelruimte vrij te krijgen bij de gemeentelijke dienst.’ Ook in Rotterdam bij stadslab Baankwartier, schuiven ambtenaren van Stadsontwikkeling aan bij overleg. Zij doen mee en luisteren, zegt Frederik Pöll, maar kunnen niks beloven. Stadslab Roermond herkent de terughoudendheid. ‘De gemeente moet nu eenmaal op iedereen gelijk reageren’, zegt Alexander Augustus. En soms gaan de stadslabs gewoon te snel. In Almelo kunnen de ambtenaren de stroom initiatieven niet bij houden. Ze willen wel, zegt Maarten Visscher van Vrije ruimte voor stadslandbouw, maar door procedures kunnen ze het tempo niet aan. Maar, reageert William Nederpelt van Stadslab Water in de Dordtse ruimte, als de relaties goed zijn, kun je best af en toe een por uitdelen. Je wilt tenslotte wel iets nieuws bereiken.

© Stimuleringsfonds

Verdienmodel
Veel stadmakers zijn kleine zelfstandigen. Zij zetten zich uit overtuiging belangeloos in en accepteren dat hun beloning ligt in de voldoening en in een balboekje dat steeds voller wordt. Consensus is er ook over het feit dat zij de expertise die zij opbouwen goed kunnen gebruiken voor de eigen praktijk, maar niet in de buurt, want onafhankelijkheid is cruciaal om de rol van stadmaker te kunnen vervullen. En toch wringt het soms. Terwijl de professionals aan tafel werken op vrijwillige basis, krijgen de ambtenaren die aanschuiven wel betaald. De meerwaarde die het stadslab Leiden voor de stad creëert, bijvoorbeeld met de op sociale ontplooiing gerichte wijklabs, wordt door de gemeente in dank aanvaardt. Prima natuurlijk, maar toch.
Ook in andere opzichten kan een scheve situatie ontstaan. De stadslabs die door willen gaan met projecten, moeten een ‘verdienmodel’ ontwikkelen. Neem stadslab Roermond. De kracht van het stadslab, zeggen ze zelf en niet zonder reden, is dat zij ruimtelijke en communicatieve expertise combineren. Zij zijn een aantrekkelijke partij en gaan steeds meer op een ‘echt’ bedrijf lijken. Is dat erg?

© Stimuleringsfonds

Onafhankelijk
‘Wij zijn allemaal professionals, die in eigen woonplaats gratis werken’, zegt Patrick Boel, initiatiefnemer van Delfshavencoöperatie en een van de begeleiders deze middag. Delfshavencoöperatie is een netwerk van stadmakers met een bestuur van drie mensen en een schil van circa driehonderd aanjagers en verbinders. ‘Wij kennen iedereen in Delfshaven. We kunnen snel relevante partijen om tafel krijgen en zeggen: nou, wat gaan we doen. Onze onafhankelijkheid is heel belangrijk. Wij proberen ook zo transparant mogelijk te zijn, heel open naar elkaar en werkende weg uit te vinden wat wel en niet kan. Mij levert het onder de streep voldoende op. Ik leer er veel van en de ervaring verrijkt mijn beroepspraktijk.’ Hij wil ook best een woningcorporatie adviseren, maar als de vraag te groot wordt moeten ze betalen, want een consultant inhuren kost tenslotte ook geld.

En, vindt Boel, er hoort voor stadmakers een verdienmodel in hun werk te zijn. Delfshavencoöperatie vraagt van institutionele partners als de woningcorporatie, de Rabobank, de gemeente een kleine bijdrage in het wijkfonds voor de organisatiekosten van de coöperatie. Grote projecten als het benutten van leegstaand vastgoed, de ontwikkeling van een wijkpark, worden mede door de partners gefinancierd, maar strikt gescheiden van het wijkfonds. Er is juridisch geen enkele binding tussen projecten en coöperatie.

© Stimuleringsfonds

Inspirerend voorbeeld
Ook stadslab Leiden en stadslab Baankwartier hanteren een scheiding tussen het stadslab zelf en de projecten die het lab entameert. Dit past bij de spilfunctie die de labs in wijk of stad vervullen en het biedt mogelijkheden voor stadmakers om hun expertise in te zetten op professionele basis. Net als stadslab Roermond, zoeken zij naar partners die belang hebben bij een project en vragen hen wat zij er voor over hebben. Of zoals Boel het aanstekelijk formuleert: ‘Ik schets partners een toekomstperspectief waar we allemaal warm van worden en vraag hen: Wat is het je waard om daar te komen?’

Boel heeft een inspirerend voorbeeld paraat. Bijna 70 procent van de polissen in Delfshaven zit bij zorgverzekeraar Achmea. Preventie is dus interessant, want dat verdient zich terug op lange termijn. Niet onredelijk om Achmea te vragen om een bijdrage aan projecten van Delfshavencoöperatie die gezondheid bevorderen.  Je moet, aldus Boel, de geldstromen in de wijk kennen.

reacties
reacties op dit artikel
Er zijn reacties op dit artikel
reageer
dit gaat over
Broedplaatsen Co-creatie
in Leiden
reacties op dit artikel
Benieuwd wat er in New Europe gebeurt? Citiesintransition.eu